Gekaapt

Het is beschamend hoe onwetend ik was. Pas nu ik een paar weken op schrijfresidentie in Zuid-Afrika mag vertoeven besef ik hoe weinig ik wist over dit land met duizend einders. De complexiteit is grillig als het landschap. Nog nooit zag ik zoveel veelheid. Vanop een Europese afstand viel dat nauwelijks te snappen. Nog steeds vat ik nauwelijks meer dan niets.

Zo koesterde ik menig misverstand over Afrikaans als taal. Woorden als “deurklokkie” of “kameelperd” klinken mij als Nederlandstalige wonderlijk in de oren, toch behoed ik mij ervoor de taal “schattig” te noemen – bij optredens in Nederland werd de manier waarop ik zelf spreek al ontelbare keren een schattig “taaltje” genoemd en dan voel ik mij steeds alsof ik een soort onnozele kabouter ben. Dus probeer ik vooral niet te zeggen hoe onweerstaanbaar aandoenlijk ik sommige Afrikaans woorden vind. Ik denk het slechts. Stilletjes bij mezelf.

Maar een taal die voor mij als één langgerekte fabelachtige toverspreuk klinkt, wordt door anderen geassocieerd met een assortiment van de grootste trauma’s die het leven te bieden heeft. Mijn grootste blunder? Ik zal mij nog ettelijke keren mogen verontschuldigen voor mijn onwetendheid, maar voor ik naar Zuid-Afrika reisde dacht ik dat alleen witte mensen Afrikaans praatten. Afrikaans is de taal van de onderdrukker, werd mij verteld, je leert het maar beter niet.

In mijn tienerjaren las ik een berg biografieën, voornamelijk van muzikanten – om af te kijken hoe zij het deden, dat beroemd worden. Ik herinner me een detail uit de autobiografie van Miriam Makeba waarin ze verteld hoe de klanken van het Afrikaans uitermate geschikt zijn om te schelden, om harde bevelen te schreeuwen, om te onderdrukken. Een harde g en rollende r klinken als spuugfluimen en oorlogstrommels. Je kan haar alleen maar gelijk geven.

Wie wil er nu met die taal geassocieerd worden? Ik in geen geval. Voor mijn vertrek werd ik nog door meerdere zelfverklaarde experts op het hart gedrukt het vooral niet te proberen. Doe geen poging om Afrikaans te praten – het komt niet goed over.

Groot is mijn verbazing wanneer Paul zijn mond open doet. Paul Kammies is een jonge schrijver van kleur, rad van de tong, haast elke zin is een oneliner. Hij leidt ons rond door Kaapstad, waarbij we om de haverklap worden aangesproken door een vriend of een kennis. Paul kent iedereen. Zonder verpinken wisselt hij Afrikaans af met Engels. Uitdrukkingen die ik nog nooit hoorde in een taal die als Nederlands echoot, met vlagen van een queer idioom dat ik voornamelijk herken van Rupaul’s Dragrace. Zijn taal heet Kaaps, zegt Paul. Ik moet heel erg mijn best doen om zijn aanstekelijke manier van spreken niet onbewust over te nemen. Elk gesprek is een bruistablet.

We gaan naar een theater waar spoken word wordt gebracht. Heel underground allemaal, ik voel me uiteraard bijzonder hip, een tante die op sleeptouw wordt genomen door de cool kids. Op het podium brengen een half dozijn donkere adolescenten een salvo aan woorden waar ik toch zeker de helft van begrijp. Ik ben danig in de war. Welke taal is dit nu? Hoor ik het verkeerd, is dit Afrikaans? Dat kan toch haast niet? Als ik Paul achteraf over mijn vergissing vertel, moet hij hartelijk lachen.

Een taal op zich is niet goed of slecht. Klanken hebben geen karakter. Het is het volk dat de taal maakt, niet omgekeerd. Afrikaanstalige mensen van kleur zijn al jaren bezig hun taal terug te claimen, haar weg te halen van een discours van repressie. Afrikaans – Kaaps – is hun taal, hun moedertaal, en ze spreken het zonder complexen. Kaaps is de reflectie op een identiteit die lang genegeerd en ondermijnd werd.

Dan denk ik aan mijn eigen taal. Hoe zal ik haar noemen? Nederlands? Vlaams? Die laatste term probeer ik zoveel mogelijk te vermijden. Bijna nooit zal ik mezelf een Vlaming noemen – hoewel ik dat wel degelijk ben. In plaats daarvan beroep ik mij op omstandige uitdrukkingen als “Nederlandstalige Brusselaar” of “Belgisch Nederlands”.  Alles, om het V-woord toch maar te kunnen ontwijken. Toespelingen op al wat Vlaams is ga ik  uit de weg. Waarom?

Een portie zelfbehoud zal zeker meespelen. Wie over Vlaanderen schrijft mag zich verwachten aan een inbox vol haatmail die zelfs Jan de Nul niet uitgebaggerd krijgt. De weinig keren dat ik ook maar het kleinste gewag maakte van de Vlaamse zaak werd ik voor rotte vis uitgescholden door een bont allegaartje van trappistdrinkers, gepensioneerde geschiedenisleraren, jonge mannen met gel in hun haar en – vermoedelijk – vrouwen met een huisdier als profielfoto. Die beker laat ik graag aan mij voorbijgaan – hoe zou u zelf zijn. Ik vraag iedere trol dan ook vriendelijk om mij deze keer met rust te laten. Elk scheldbericht dat ik ontvang bevestigt slechts het punt van deze alinea.

Maar daarnaast is er zo mogelijk nog iets ergers aan de hand. Ik schaam mij. Ik noem mezelf geen Vlaming uit schaamte. Zo heb ik mijn eigen Wikipedia-pagina aangepast. Ik veranderde “Vlaams” naar “Belgisch”. Waarom lukt het me niet om uit te komen voor mijn Vlaamse identiteit? Tenslotte hou ik van mijn taal. Het is de enige taal waarin ik echt grappig kan zijn, de enige taal die ik kan doen kronkelen en wentelen om mijn gedachten zo precies mogelijk naar uwe te doen stromen. Als ik een nummer schrijf met als titel “gij kunt mij krijgen” dan kan ik de precieze lading van die uitspraak naar geen enkele andere taal vertalen. Zelfs niet naar het Nederlands – hoewel het Nederlands is.

Maar mijn taal is gekaapt. Mijn identiteit is gekaapt. Een groepje onfrisse, reactionaire types heeft zich haar toegeëigend.  Termen als “hardwerkende”, “gewone” of “echte” Vlaming zijnhondenfluitjes, Vlaams is een begrip geworden dat mensen uitsluit. Wie bedoelen we, als we over de Vlaming praten? Voor elke rood aangelopen racist die zichzelf een “trotse Vlaming” noemt voelt deze Vlaming hier zich minder trots. Steeds weer komt gevleugelde dat citaat uit A Clockwork Orange door mijn brein zoeven. “If all you bastards are on the side of good, then I’m glad I belong to the other shop.”

Zo hoefde het niet te zijn. De ontvoogding van de taal is een erg waardevol streven, dat ervoor zorgde dat ik in het Nederlands naar school kon – in tegenstelling tot mijn grootvader, die slechts in het Frans kon studeren. Ergens onderweg is dit proces van emancipatie echter geannexeerd door een project van discriminatie. Daar heb ik liever niets mee te maken.

Als ik, een witte vrouw met Nederlands als moedertaal en de meest Vlaamse voornaam die je maar bedenken kan, mij al niet kan identificeren met wat mij voorgeschoteld wordt als “Vlaamse cultuur”, hoe moet dat dat zijn voor Vlamingen van kleur? Hoe enger het begrip wordt van wie Vlaming is en wie niet, hoe meer mensen zullen afhaken van het hele idee. Zou het niet kunnen dat het Vlaamse identitaire denken op die manier haar initiële doel van fierheid en bevrijding volledig voorbijschiet? Op den duur blijven er geen “Vlamingen” meer over. Fier voel ik mij in geen geval. Slechts met de groots mogelijk schroom zal ik mijn taal Vlaams noemen.

Maar misschien heb ik wel iets te leren van jonge dichters in Kaapstad. Zij spinnen verzen in een taal met een beladen verleden, maar net door die verzen bevrijden ze haar. Ze kneden de taal tot de taal klaar is om hun eigenheid te verwoorden. Een taal is van niemand en van iedereen. Dus als je taal werd gekaapt, dan kaap je haar terug. Je kaapt haar terug met verhalen, met gedichten, met eigen ideeën in geërfde woorden. Dat is Kaaps.

Ook ik wil mijn taal terug. Ik wil fier kunnen zijn op de klanken die mijn mond verlaten, op de woorden uit mijn pen. Ik weiger mij nog langer te schamen. Woord voor woord zal ik mijn zinnen terugkapen van een reactionair discours, van die kleingeestige en onverdraagzame figuren die zich een identiteit toegeëigend hebben die evengoed de mijne is. Ik ben een Nederlandstalige Brusselaar. Ik spreek Vlaams. Zonnige groetjes uit Kaapstad.

    Nele Van den Broeck (1985) is a theatre maker, musician, frontwoman of the band Nele Needs a Holiday and has been a regular columnist at De Standaard for eight years. Nele studied music production at the London College of Contemporary Music. Previously, she simultaneously studied Drama at the Royal Academy of Fine Arts in Ghent and German and Spanish at the Vrije Universiteit Brussel. She lives in Brussels. Nele’s work addresses themes such as psychological vulnerability, big dreams, hilarious failures, and philosophical mundanity. Her work is a constant quest for the manual of life. She has taken an atypical path, which took her through theatre, then music, eventually leading her to writing and back again. In 2019, an anthology of Nele’s columns, Halfvolwassen (Half Adult), was published by Uitgeverij Horizon. Her debut novel Iemand Anders (Someone Else) was published in 2023.

    Photo credit: Kaat Pype

    Leave a comment

    Your email address will not be published. Required fields are marked *